De kleinkinderen van Ariaan en Pietje Musters-Hagenaars hebben hun opa geen van allen gekend. Weliswaar heeft hij de twee oudsten, Ad Karremans (1940) en Nell Coppens (1941), nog wel gekend, maar zij waren 1 ½ en 1 jaar oud toen opa in 1942 verongelukte.
Tijdens de gesprekken met de neven en nichten voor het familieboek, kregen Anja en Adrie, de samenstellers van het boek, steeds meer respect voor opoe: haar moeilijke jeugd in een groot samengesteld gezin, hoe zij zich voor haar grote gezin staande hield na het vroeg overlijden van opa en later ook nog eens de vroege dood van een zoon, oom Wout, en een dochter, tante Marie. Haar leven verklaart voor een groot gedeelte het vermijden van het tonen van emoties en genegenheid en haar wantrouwigheid ten opzichte van vreemden. Wel toonde zij haar zorgzaamheid voor haar kinderen en kleinkinderen in tijden dat die het moeilijk hadden. Dat ze voor de duvel niet bang was, toonde haar gedrag tijdens de bezettingsjaren 1940-1944. Herhaaldelijk heeft ze toen onderdak verleend aan onderduikers, die werden aangeleverd door politieman De Frel, een actief verzetsman. Opoe bood de onderduikers een tussenstation in afwachting van een definitieve onderduikplaats. In het familieboek staan hierover enkele anekdotes.